Karlijn van Vliet Karlijn van Vliet

Als een rechtspersoon ten tijde van een ontbindingsbesluit geen baten meer heeft, houdt deze direct op te bestaan, de zogenaamde turboliquidatie. Een daadwerkelijke vereffening is dan niet nodig. De turboliquidatie wordt daarmee veelal als een goedkope en snelle wijze van ontbinding gezien. Het ontbreken van een vereffeningsprocedure maakt de turboliquidatie misbruik- en fraudegevoelig. Een schuldeiser van een dergelijke vennootschap staat in zo’n geval echter niet – per definitie – met lege handen.

Een schuldeiser van een op grond van artikel 2:19 lid 4 BW ontbonden vennootschap kan in de eerste plaats, onder omstandigheden, een bestuurder en/of aandeelhouder van een ontbonden vennootschap aansprakelijk houden voor de schade als gevolg van de turboliquidatie. De lat voor aansprakelijkheid van de bestuurder en/of aandeelhouder ligt echter hoog en een individuele schuldeiser heeft al snel te maken met een kennisachterstand ten opzichte van de bestuurder van de vennootschap.

Een achtergebleven schuldeiser heeft ten aanzien van de geliquideerde vennootschap twee mogelijkheden, te weten een faillissementsaanvraag van de ontbonden vennootschap of een verzoek tot heropening van de vereffening van de ontbonden vennootschap.

Een ontbonden rechtspersoon kan in staat van faillissement worden verklaard. Een schuldeiser die het faillissement aanvraagt dient, zij het summierlijk, voldoende aannemelijk te maken dat er nog baten zijn. Indien vervolgens ook aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, kan het faillissement worden uitgesproken. De rechtspersoon moet dat in dat geval geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan. Als potentiële bate wordt geregeld een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid aangevoerd. In het bijzonder als blijkt dat de bestuurder niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting tot het tijdig deponeren van jaarrekening.

Als de ontbonden vennootschap daadwerkelijk in staat van faillissement wordt verklaard, zal de curator een onderzoek instellen naar de aanwezigheid van vermogensbestanddelen van de schuldenaar. De schuldeiser die het faillissement van een ontbonden vennootschap aanvraagt, is echter volledig afhankelijk van het resultaat van dit onderzoek en zal op basis van de door de curator bij de verdeling van baten in acht te nemen wettelijke rangorde, veelal andere schuldeisers moeten laten voorgaan. Een faillissementsaanvraag van een ontbonden vennootschap leidt derhalve meestal niet direct tot betaling van de betreffende schuldeiser.

Een schuldeiser kan ook de heropening van de vereffening van de ontbonden vennootschap verzoeken. Heropening is ook mogelijk als er nog niet eerder vereffend is, zoals in geval van een turboliquidatie. Wil een verzoek tot heropening toewijsbaar zijn, dient de verzoeker daarbij voldoende belang te hebben. De aanwezigheid van een bate moet derhalve aannemelijk zijn om toewijzing van het verzoek tot heropening van de vereffening te rechtvaardigen. Een rechter die over het verzoek moet oordelen toetst de vraag of de door de verzoeker gestelde baten voldoende aannemelijk is met terughoudendheid. Een dergelijk verzoek mag niet snel worden afgewezen.

De verzoekende schuldeiser dient de aanwezigheid van een bate dus voldoende aannemelijk te maken. De daadwerkelijke aanwezigheid van een bate hoeft niet te worden aangetoond. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal een vereffenaar een onderzoek naar de aanwezigheid van baten moeten uitvoeren. Ook in deze situatie zal de verzoekende schuldeiser vaak worden geconfronteerd met andere onvoldaan gebleven schuldeisers. Een schuldeiser die heropening van de vereffening verzoekt is dus meestal niet rechtstreeks gebaat.

Hoewel een schuldeiser niet machteloos staat ten opzichte van een zogenaamde turboliquidatie, zal vermoedelijk slechts een enkele crediteur daadwerkelijk een verzoek tot faillietverklaring of heropening van een ontbonden vennootschap overwegen. Een schuldeiser zal in voorkomend geval voor één van beide procedures kosten moeten maken, terwijl het vooruitzicht op (gedeeltelijke) betaling van zijn vordering hoogst onzeker is. Het alternatief, lijdzaam toekijken en de vordering afboeken, is alleen vaak nog minder aantrekkelijk.

De inhoud van dit blog is algemeen van aard. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend.

Meer informatie over dit onderwerp of andere vragen? Neem dan gerust contact op met Karlijn van Vliet of één van haar collega’s van de sectie Ondernemingsrecht.